De moeder van de MakkabeeŽn en haar zeven zonen*

 
Feria (geen feest): Martelaarsgestalten uit de boeken van de Makkabeeën:
De moeder van de Makkabeeën en haar zeven zonen.

Op 1 Augustus vieren wij de gedachtenis in onze Kerk van de helden moeder die haar zeven zonen aan God als offer opdroeg.
Van haar zegt de Heilige Gregorius van Nazianze: "Zij verdienen het door allen geëerd te worden, want voor het recht en de zeden van hun vaderen hebben zij standvastig gestreden en zich als helden gedragen.
Weliswaar ondergingen zij reeds vóór Christus Lijden de martel dood, maar waartoe zouden zij in staat zijn geweest als zij de dood van Christus tot voorbeeld hadden gehad!
Vol betekenis is het voor ons en het klinkt geheimzinnig.
Dat zij leden vóór Christus, maar zeker niet zonder geloof in Christus" (Oratio XV in Machabaeorum laudem P.G.35.913 en volgende).
Het eigenlijke martelaarschap van deze moeder lag niet in haar dood.
Alleen een moederhart kan volkomen begrijpen, wat het betekent te moeten toezien, hoe zeven zonen gruwzaam afgeslacht worden.
 

Afbeelding invoegen

Als we de pijnen van de zeven zonen overwegen, zoals zij zo ruw en zo sterk realistisch geschilderd worden, dan kan ook de hardste mens voelen, welke kracht en welk geloof deze moeder bezielen moest.
Een geseling met geselroeden en riemen uit ossenleer leidde het martelaarschap van de zonen in.
Toen riep één van hen: "Wij zijn bereid liever te sterven dan de Wet van de vaderen te overtreden".
Dat was het teken van een heviger foltering.
Om aanstonds de overigen vrees in te boezemen, moest de beul hem de tong uitrukken, hem handen en voeten afhakken en hem langzaam op een rooster braden.
De moeder moest toezien hoe haar kind in pijnen stierf.
Nauwelijks was de eerste gestorven, of men nam de tweede.
De heilige Schrift verhaalt: "Zij stroopten hem de huid met haren en al van het hoofd," daarna folterde men hem, tot hij de geest gaf.
Stervend nog riep hij de koning toe: "Ontaarde booswicht, gij ontneemt ons wel het tijdelijk leven, maar de Koning der wereld zal ons, die voor Zijn Wetten sterven opwekken tot de verrijzenis van het eeuwig leven."
De derde lachte om de folteringen als een bijbelse Mucius Scaevola (Faulhaber).
Als hij Christus gekend had, dan zouden wij zeggen: Hij heeft diens gebod: "Als uw rechteroog u ergert, ruk het dan uit en werp het van u weg; want het is beter voor u, dat één uwer ledematen verloren gaat, dan dat heel uw lichaam in de hel wordt geworpen (Matheüs 5,29 en volgende) ernstig opgevat.
Ook de vierde kwam aan de beurt en stervend riep hij nog het Credo van het Oude Testament aan de verrijzenis: "Het is een troost door mensen te worden gedood, als wij van God mogen hopen en verwachten, dat Hij ons weer doet verrijzen.
Maar voor u zal het geen verrijzenis ten leven zijn" (2,7-14).
De vijfde zoon wist in het aangezicht van de dood de wreedaard niets beters te zeggen dan: "Meen niet, dat God ons volk heeft verlaten> Heb maat geduld, dan zult u wel zien, hoe geweldig zijn kracht is."
De zesde leed en stierf.
Stervend sprak hij nog: "Bedrieg u niet door ijdele waan. Denk niet dat gij zelf ongestraft blijft."
De jongste bleef nog met de moeder alleen.
Ieder van de zes zonen gaf naast God de moeder kracht.
"Tot ieder van hen" zegt de heilige Schrift, "sprak zij in de moedertaal een woord van troost, terwijl zij haar vrouwenhart met mannenmoed staalde."
De zevende dreigde nog een harder lot.
Hem trachtte de koning met allerlei beloften en verlokkingen afvallig te maken.
Ditmaal beriep de tiran zich niet op het lichaam, maar op de lagere hartstochten, op de hebzucht en de heerszucht.
Maar kinderen van zulk een moeder moeten sterk zijn.
Ook de jongste koos wat zijn broers kozen.
Wat kon een zwakke koning hem aanbieden, vergeleken bij zijn moeder, die tot hem zei:
 
"Mijn jongen heb medelijden met mij. Ik heb je negen maanden in mijn schoot gedragen, je drie jaar zelf opgevoed en tot deze leeftijd verzorgd., grootgebracht en verpleegd. Ik smeek je mijn kind, beschouw de hemel en de aarde met alles wat zij bevatten en bedenk, dat God dit uit het niet heeft geschapen en dat ook het menselijk geslacht op dezelfde wijze is ontstaan. Wees dus niet bang voor die beul, maar toon, dat gij uw broers waardig zijt; aanvaard de dood, opdat ik je met je broers op de dag van erbarming terug mag krijgen."
 
Moedig klinkt de echo op het woord van de moeder uit de mond van de jongste: "Evenals mijn broers geef ik ook mijn lichaam en leven uit liefde voor de Wetten der vaderen!
En ik smeek God, dat Hij het volk weer spoedig genadig mag zijn.’’
Woedend daarover, liet de koning de jongste nog onder grotere pijnen sterven dan de anderen.
En na haar zonen stierf tenslotte de moeder, verhaalt in alle eenvoud de heilige Schrift.
Wat leert deze moeder en wat leert de marteling van deze bloedgetuigen ons?
Uit de woorden van de jongens horen wij de weerklank van die grondbeginselen, die de moeder hun meegegeven had.
Het huis van deze moeder was een bedehuis.
De moeder had met de jongens psalmen gebeden.
In deze luidt het: "Gelukkig de man, die zijn vreugde vindt in Jahweh’s wet".
"Koningen zal ik van uw vermaningen spreken" (psalm 119,46).
"Want gij geeft mij niet prijs aan het dodenrijk. Gij laat uw vrome het graf niet aanschouwen" (psalm 15,10).
"Zoals rook spoorloos verdwijnt, en was wegsmelt in vuur, zo vergaan de bozen voor het aanschijn van God" (psalm 68,3).
De moeder had haar zonen in de heilige Schrift ingeleid.
Voor hen was zij in huis priesteres, hun leidster naar God.
De dood der zonen "is een zegepraal van priesterlijke opvoedkunst".
De moeder van de Makkabeeën heeft in de geschiedenis van onze Kerk vele volgelingen.
Ik herinner slechts de heilige Symphorosa, wier feest wij op 18 juli vieren.
Zulke heldenmoeders en helden zonen kan de Kerk op alle tijden – ook in iedere vervolgingstijd – aanwijzen.
Heilige moeders – heilige zonen – heilig volk!
Wij hebben misschien daarom zoveel afvalligen, omdat wij zo weinig priesterlijke moeders en martelaars hebben.
Sanquis martyrum – semen christianorum!
Het bloed van martelaren is het zaad van christenen!
"Wat moet ik zeggen over die moeder, die met vreugde in de ontzielde lichamen van haar zonen overwinningstrofeeën zag", roept de heilige Ambrosius uit, "en die zich aan de uitroepen der tot de dood toe gefolterden als aan psalmen zingen vergastte.
In de zonen zag zij namelijk de heerlijke harp van de moeder en een akkoord van de overgave aan God, wel luidender dan elke melodie., die aan de lier ontlokt kan worden" (De officiis ministrorum P.L.16,82 en volgende).