Vijf argumenten tegen vijf relativistische opvattingen

 
In de dagelijkse omgang met mensen worden we voortdurend geconfronteerd met ideeŽn van mensen over de werkelijkheid. Deze ideeŽn zijn niet altijd even onschuldig. Wanneer we geloven dat de Bijbel het Woord van God is, dan heeft dit tot gevolg dat ook wij ideeŽn hebben over de werkelijkheid. Deze ideeŽn kunnen botsen met die van andere mensen. In het onderstaande worden een aantal van die ideeŽn die vaak botsen met het christelijk geloof, op eenvoudige wijze besproken. De besproken ideeŽn hebben vooral betrekking op het relativisme in onze tijd. Het relativisme houdt heel simpel gezegd in, dat er geen absolute waarheid bestaat.
 
1. Ieder mens gelooft wat hij wil geloven. Er bestaat niet zoiets als de waarheid, een ieder heeft zijn eigen wereldbeeld, en deze zijn allemaal waar.
 
Dit is een veelgehoorde uitspraak. Stel dat de persoon die dit zegt Jan heet, en stellig overtuigd is van het feit dat de waarheid niet bestaat. Hoewel dit natuurlijk een aantrekkelijke gedachte is, want je hoeft hierna niet meer na te denken over wat waarheid is, faalt dit argument op grond van de logica. De uitspraak dat er niet zoiets als de waarheid is, is zelf natuurlijk een waarheid. Dus als Jan gelijk heeft, heeft hij meteen ook ongelijk, want hij heeft dan een waarheid verkondigd.

 
Je kunt het argument nog scherper stellen, bijvoorbeeld door te zeggen dat waarheid is wat jij vindt. Dus iets wat voor mij waar is hoeft voor een ander nog niet waar te zijn. In bepaalde gevallen kan dit zo zijn, maar als het gaat om algemene uitspraken over bijvoorbeeld godsdienstige zaken gaat dit argument niet op.
 
Laten we weer even veronderstellen dat Jan dit zegt. Dus als ik dan van mening ben dat alleen mijn geloof de ware is en de andere religies niet dan heb ik volgens Jan gelijk, maar tegelijkertijd ook ongelijk. Dit betekent dus dat de constatering zelfweerleggend is, want als de uitspraak van Jan waar is, betekent dit dat deze tegelijkertijd ook niet waar is en dat kan natuurlijk niet. Mijn overtuiging dat alleen mijn geloof waar is, betekent automatisch dat alle andere geloven onwaar zijn. Maar de uitspraak van Jan dat iedereen zijn eigen waarheid heeft omvat ook de waarheid van mijn geloof. Maar mijn geloof zegt dat de andere opvattingen onwaar zijn. Conclusie: als Jan gelijk heeft, heeft hij meteen ongelijk.
 
Dus hoe je het ook probeert, de opvatting (a) dat waarheid niet bestaat is zelfweerleggend, en (b) dat iedereen zijn eigen waarheid heeft, is ook zelfweerleggend.
 
Conclusie: de bovengenoemde opvatting 1 kan nooit waar zijn.
 
2. Goed en kwaad is subjectief.
 
Deze opvatting komt voort uit opvatting 1. Als er namelijk geen waarheid is, dan verzint iedereen voor zichzelf wat goed of fout is.
 
Ook met deze opvatting is iets grondig mis. Als het inderdaad het geval zou zijn dat goed en kwaad subjectief is, dan moeten we andere mensen met rust laten die volgens ons iets verkeerds doen. In hun ogen is bijvoorbeeld het vermoorden van mensen misschien goed. Je merkt al snel dat de stelling dat goed en kwaad subjectief is onhoudbaar is.
 
In de eerste plaats geldt dat elke morele opmerking die je maakt naar een ander toe altijd absoluut zal zijn. Als je iemand aanspreekt op zijn gedrag, heb je je opvatting al verlaten dat goed en kwaad subjectief is. Je neemt namelijk een absolute stelling in. Je wilt namelijk dat die persoon ophoudt met het uitvoeren van in jouw ogen kwaad gedrag. Maar dan heb je wel een absoluut standpunt ingenomen. Als je werkelijk gelooft dat morele waarden subjectief zijn, dan moet je je mond houden wanneer iemand een kwade handeling verricht. Sterker nog, je hebt dan geen enkel argument meer om iemand te stoppen, want voor die persoon is de handeling misschien wel een goede zaak.
 
Maar de opvatting dat morele categorieŽn goed en kwaad subjectief zijn, kan ook weerlegd worden door te wijzen op het feit dat objectieve morele waarden bestaan. Omdat mensen in het dagelijks leven geconfronteerd worden met lijden en verdriet, erkennen ze dat er zoiets als kwaad is. De ervaring van het kwaad is op zich al een goede aanwijzing dat er zoiets als werkelijk goed en kwaad bestaat.
 
Een voorbeeld kan dit duidelijk maken. Vrijwel iedereen is het erover eens dat het sexueel misbruiken van kinderen een kwaad is en velen zullen dan toegeven dat er zoiets als het kwaad bestaat. Stel nu dat iemand zegt dat het misbruiken van kinderen een kwaad is omdat ik dat zo noem, maar dat een ander het misschien wel goed vindt om kinderen sexueel te misbruiken. De beste manier om zijn uitspraak te onderzoeken, is door deze te toetsen aan de werkelijkheid. Heeft sexueel misbruik bij kinderen invloed op hun leven?
 
We weten allemaal dat dit zo is, en dat misbruik diepe wonden nalaat bij velen en we mede ook daarom kunnen zeggen dat het kwaad is. Dus wat goed en wat kwaad is, heeft ook veel te maken met onze natuurlijke intuÔties.
 
Als iemand beweert dat goed en kwaad subjectieve categorieŽn zijn, is het raadzaam om die persoon eens recht aan te kijken en hem direct de vraag te stellen: 'Dus jij denkt dat het misbruiken van kinderen in principe moreel neutraal is?' Je zult zien dat vrijwel niemand dit zal beamen. Zelfs de meeste ongelovige mensen zullen toegoeven dat er objectieve morele waarden bestaan.
 
De conclusie van deze opvatting is: (a) in de eerste plaats faalt de subjectiviteit van morele waarden op grond van de werkelijkheid. Niemand leeft volgens een moreel relativisme, iedereen heeft van nature een diep besef van goed en kwaad; (b) er zijn objectieve morele waarden, die bij schending grote gevolgen met zich mee brengen.
 
Tot slot. Beide hierboven genoemde opvattingen hebben direct betrekking op het relativisme. Deze zijn erg populair in onze cultuur, maar volstrekt onjuist. Naast de genoemde bezwaren is er ook nog een praktisch argument waarom relativisme niet klopt. Het argument is vrij simpel: niemand leeft relativistisch. We hebben te maken met een wereld rondom ons, die bepaalde gevaren met zich mee brengt en die ons belemmerd om al het denkbare te kunnen uitvoeren. In die zin bestaat relativisme al niet, de werkelijkheid zal ons zo nu en dan wel een handje helpen om ons dit te herinneren.
 
3. Je kunt niet weten of God bestaat?
 
Een simpele wedervraag kan hier wonderen doen: hoe weet je dit? Hoe kun je weten dat je niet kunt weten dat God bestaat? Je moet namelijk al heel wat weten om te kunnen zeggen dat je niet kunt weten. Het punt is dus of zelfweerleggend, of men gebruikt een criterium dat inconsequent toegepast wordt.
 
Wat betekent het, dat er een criterium gebruikt wordt dat men inconsequent toepast. In werkelijkheid is er niets dat je absoluut zeker kunt weten, of op zijn minst met absolute zekerheid kunt bewijzen.Wanneer we iets als weten bestempelen, dan betekent dit vaak dat we hiervoor bewijzen kunnen geven. Met absoluut weten bedoel ik hier dan ook dat je iets absoluut kunt bewijzen. Gods bestaan is niet met absolute bewijzen aan te tonen zoals men dingen bewijst in de wiskunde of de logica.. Maar als deze vorm van bewijs wordt vereist om iets te kunnen weten, dan blijft er in werkelijkheid niets over dat we kunnen weten. We kunnen dan niets weten wat de wetenschap ons vertelt. We kunnen bijvoorbeeld niet met absolute zekerheid bewijzen dat de wereld rondom ons bestaat. We kunnen niet met absolute zekerheid bewijzen dat er andere bewuste mensen bestaan. We kunnen niet met absolute zekerheid bewijzen dat de wereld al langer dan vijf dagen bestaat. Kortom, er zijn tal van zaken in de werkelijkheid die we niet met zekerheid kunnen bewijzen, maar die heel redelijk zijn om als waarheid te accepteren. Heel veel mensen accepteren dan ook de bovengenoemde uitspraken als waar en menen ook dat je dit kunt bewijzen, behalve de uitspraak aangaande het bestaan van God. Dat is dus een inconsequente toepassing. Als het gaat om de vraag naar het bestaan van God, stellen ze opeens veel strengere eisen aan een bewijs dan normaal.
 
Is het dan redelijk om in het bestaan van God te geloven en hoe ziet zo'n bewijs er dan uit? Het gaat dus om een ander soort bewijs dan in de wiskunde, wat wel degelijk als bewijs geldt. Zie het als volgt. Wanneer iemand vermoord wordt en een rechter moet beoordelen of de aangeklaagde de moordenaar is, doet zij dit niet op grond van het feit dat zij de moordenaar tijdens zijn daad gezien heeft. De rechter komt tot een oordeel op grond van indirect bewijs (bloedsporen, getuigen, wapen, alibi).
 
Door alle gegevens te bekijken komt de rechter tot een conclusie die voor haar beyond reasonable doubt is. We hebben hier dus niet te maken met een absoluut bewijs in de zin zoals de wiskunde ons die levert. Het bewijs is een bewijs met een hoge graad van waarschijnlijkheid. Je zou kunnen zeggen een bewijs met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid.
 
Neem nu het bestaan van God. Hoewel we niet direct kunnen zien dat hij bestaat, kunnen we op grond van het bewijs aannemen dat het heel redelijk is te geloven dat Hij bestaat. Laten we eens in de Bijbel kijken. In de Bijbel staat dat niemand ooit God heeft gezien - afgezien van het feit dat mensen Jezus gezien hebben-, De Bijbel geeft ons indirect bewijs. In Psalm 19:1 'De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt het werk van Zijn handen'.
 
Romeinen 1:20 'Want hetgeen van Hem niet gezien kan worden, Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sedert de schepping der wereld uit zijn werken met het verstand doorzien, zodat zij geen verontschuldiging hebben'.
 
Conclusie: we kunnen in absolute (zoals in de wiskunde) zin geen bewijs vinden voor het bestaan van God. Pascal, een christelijk denker heeft ooit gezegd dat er te weinig bewijs is om er zeker van te zijn, en teveel bewijs om het te kunnen ontkennen. In vergelijking met al de andere dingen in de wereld, is het redelijk om te geloven dat God bestaat. Er is bewijs voor Zijn bestaan, zoals dit tot bijvoorbeeld tot uitdrukking komt in de schoonheid van de schepping, of in het religieuze leven van mensen.
 
4. Ik leef goed, dus waarom heb ik God nodig?
 
Waarom zou God als iemand 'goed' geleefd heeft, naar de hel sturen. Wie ben jij om dat te beoordelen?
 
De Bijbel is heel duidelijk op dit punt. Jezus zegt: niemand komt tot de vader dan door mij. C.S Lewis(1) heeft eens gezegd dat om te weten of we in de hemel komen, we Jezus nodig hebben. Wat we niet weten is of we dan ook in Hem moeten geloven. Dat is een goede vraag, stel nu eens dat iemand Jezus nooit gekend heeft en iemand komt voor God en heeft als excuus 'maar wie is Jezus dan?' en hij zal dan misschien zeggen 'nu moet je me in de hemel toelaten en kun je me niet veroordelen'. Dan nog kan God deze persoon op volledig voor Hem gerechtvaardigde gronden veroordelen.
 
Francis Schaeffer(2) heeft dit eens heel duidelijk uitgelegd. Stel dat we geboren worden met een klein recordertje in onze nek. En dit recordertje registreert heel ons leven lang iedere morele uitspraak en gedachte. Wat God dan zou kunnen doen is tegen die persoon zeggen: "ik beoordeel jou in de mate waarin je een ander geoordeeld hebt." Dit is ook precies wat Hij zal doen, want Jezus zegt dit verschillende malen in het Nieuwe Testament. God gaat de band van de recorder afdraaien en hoort 'die is lui', 'wat een slechterik', 'dit zou ik nooit doen'. En daarna toont God al jouw daden en vergelijkt deze met jouw uitspraken over anderen.
 
Dus hoewel mensen allerlei verontschuldigingen kunnen aandragen, worden ze beoordeeld op grond van hun eigen geweten. Conclusie: ook al kennen mensen Jezus niet, dan kan het voor God nog steeds gerechtvaardigd zijn om mensen te veroordelen.
 
5. Alle godsdiensten komen op hetzelfde neer.
 
Een relativist zou kunnen zeggen: 'Alle godsdiensten komen uiteindelijk op hetzelfde neer'. We hebben eerder gezien hoe zelfweerleggend het relativisme is. Gavin McGrath(3) merkt op dat ze eigenlijk willen zeggen dat iedere godsdienst als het ware een paadje is naar de top van de berg. Uiteindelijk komen ze allemaal op hetzelfde neer. Maar om te kunnen weten dat alle wegen naar de top leiden moet ik me wel eerst in een positie bevinden van waaruit ik dat kan beoordelen. De beste positie is natuurlijk de top zelf, of ik moet in een helikopter of vliegtuig rondjes rond de berg vliegen en het beoordelen.
 
Als het zo is, dat alle overtuigingen een paadje zijn naar de top van de berg, dan is relativisme ook een paadje naar de top van de berg. Dus de relativist beoordeelt vanuit zijn paadje, dat alle paadjes bij de top uitkomen. Maar de relativist kan enkel uitspraken doen over zijn eigen paadje, terwijl hij in feite een uitspraak doet over alle mogelijke godsdiensten en de paadjes waarop deze godsdiensten zich bevinden. Zoals je ziet, overspeelt de relativist in grote mate zijn hand.
 
Een ander voorbeeld dat vaak gebruikt wordt om aan te tonen dat alle godsdiensten op hetzelfde neer komen, is die van de geblinddoekte mannen en de olifant. Stel dat vier geblinddoekte mannen elk aan een olifant voelen. De één voelt aan zijn slurf, de ander aan zijn staart, weer een ander aan zijn oren, en de laatste aan zijn buik. Alle vier de mannen hebben een verschillende opvatting over het object waar ze aan voelen, en daaruit zouden ze kunnen concluderen dat ze het alle vier over iets anders hebben. Maar uiteindelijk voelen ze allemaal aan dezelfde olifant. Dit zou je op de godsdiensten kunnen toepassen en zo kunnen concluderen dat alle godsdiensten uiteindelijk op hetzelfde neer komen.
 
Dit is een leuk argument, maar het klopt niet. Om te kunnen weten dat alle vier de mannen het over dezelfde olifant hebben, moet er namelijk al iemand zijn die zijn blinddoek afdoet. En dat is nu juist het probleem want al deze mannen hebben een blinddoek om, dus ze kunnen dit niet weten.
 
Daarnaast is dit voorbeeld misleidend. Het veronderstelt namelijk al dat alle godsdiensten hetzelfde zijn. Dus de conclusie van het argument volgt uit de vooronderstelling. De redenering is op deze manier circulair en dus incorrect.
 
Met voorbeelden moet men altijd uitkijken. Een voorbeeld kan dienen als illustratie bij een argument. De fout die veel mensen maken is dat men een argument verward met een voorbeeld. De geldigheid van een argument kan men enkel beoordelen door de correctheid van de redenering na te gaan en de premissen te onderzoeken, niet door een voorbeeld te geven.
 
Op grond van eenvoudige logische principes moeten we dan ook concluderen dat niet alle godsdiensten hetzelfde zijn en ze zeker niet allemaal tegelijk waar kunnen zijn. In heel veel gevallen staan ze namelijk recht tegenover elkaar wat opvattingen over de werkelijkheid betreft. In het hindoeÔsme gelooft men niet in een persoonlijk God, zoals men in het monotheÔsme dit gelooft. Men gelooft in het hindoeÔsme dat de natuur goddelijk is, dat goed en kwaad twee categorieŽn zijn die elkaar in evenwicht houden. Hier heb ik al drie punten gevonden die principeŽl onverenigbaar zijn met het christelijk geloof.
 
Als alle godsdiensten gelijk zouden zijn: dan zou God persoonlijk zijn en tegelijkertijd onpersoonlijk, zou de natuur een uitbreiding van Gods wezen zijn en tegelijkertijd niet. Dan zou goed en kwaad in Gods wezen zijn en tegelijkertijd niet.
 
De Bijbel zegt heel duidelijk: God is goed, er is geen druppeltje kwaad in Hem. Dit alles zou betekenen dat de bijbel tegelijkertijd waar zou zijn, maar toch ook niet. Zoals je wel begrijpt, is elke mogelijkheid tot een beetje redelijk nadenken op deze wijze uitgesloten.
 
Maar is het dan niet arrogant om te zeggen dat bijvoorbeeld het christendom waar is? In zekere zin is dit niet arrogant. Arrogantie heeft vooral te maken met je houding ten opzichte van anderen, niet noodzakelijk met je overtuigingen. In de tweede plaats volgt het met logische noodzaak, dat als je van mening bent dat jouw geloof de ware is, dat tegenovergestelde geloven dan onwaar zijn. In de derde plaats, als jij in iets zou geloven waarvan je niet zou zeggen dat het waar is, dan lijkt me dat een waardeloos geloof.
 
Daarnaast staat of valt het christelijk geloof met de opstanding van Jezus. Geen enkele godsdienst spreekt over een God die mens geworden is, die zich liet doden in alle onschuld en uit de dood is opgestaan. Dit is een uniek gegeven. Alleen daarom al kun je niet zeggen dat alle godsdiensten hetzelfde zijn. Natuurlijk zul je in andere godsdiensten bepaalde overeenkomsten vinden met het christendom, maar dit betekent nog niet dat ze daarom allemaal even waar of hetzelfde zijn.
 
Bij de genoemde relativistische opvattingen komt een bepaald tegenargument steeds weer terug. Dit tegenargument is gebaseerd op het feit dat het onmogelijk is dat iets waar kan zijn en tegelijkertijd onwaar. Dit wordt het principe van contradictie genoemd. Heel ons denken is op dit basisprincipe gebaseerd. Zoals je wel ziet, is bij schending van dit principe elke mogelijkheid tot een redelijke gedachte weggenomen. Daarnaast faalt relativisme op grond van de werkelijkheid. Mensen leven niet relativistisch en kunnen dit ook onmogelijk.
 
Je zult misschien het idee hebben dat ik in dit artikel geen enkel bewijs heb geleverd voor de waarheid van het christendom. De argumenten waarmee de relativistische opvattingen in dit artikel weerlegd zijn, bewijzen natuurlijk nog niet de waarheid van het christendom. Daar zullen aanvullende argumenten voor moeten komen.
 
Noten:
1. Clive Staples Lewis., De sleutel tot het geheim, (vertaling van Mere Christianity). Baarn: Ten Have
2. Francis A Schaeffer., Dood in de stad. (vertaling van Death in the City), Crossway Book Publisher
3. Gavin.J McGrath., A confident life in a age of change. IVP.

door: Jacques van der Meer